Alle berichten van Hansvg

Wedden dat …

‘Goedenavond beste kijkers en beste mensen hier in de zaal. Zit u er allemaal klaar voor?’
Een gejoel klonk op van de tribunes, waar een studiomedewerker met armsignalen het juiste begin en eind aangaf van het waarderende applaus. Op het podium stond John Johnsson, de bekende tv-presentator van het oeroude spelletje ‘Wedden dát’. Naast hem een zenuwachtige kandidaat.
‘Zo dames en heren, dan gaan we beginnen met onze eerste kandidaat’ en met deze woorden duwde John de microfoon onder de neus van het zenuwachtige figuur naast hem. ‘Hoe is uw naam?’
‘B..Billy’, stotterde de jongeman, die gespannen met een rode kleur en parelende zweetdruppeltjes op zijn voorhoofd in de camera staarde, ‘Billy Boem.’
‘Zo, Billy’, riep de enthousiaste presentator, ‘en wat is je beroep?’
‘Cowboy meneer’, mompelde Billy, die onderwijl zijn zwetende handjes aan zijn broek trachtte af te drogen.
‘Zo, Cowboy Billy Boem dus, hahaha!’ Ook op de tribunes was een gegrinnik hoorbaar.
‘Goed’, hernam de presentator zich, ‘en wat is je claim? Welke weddenschap sluit je af?’
‘Ikke… ik kan voelen welke kleur ogen mensen hebben.’ Met een schichtige blik zocht Billy de tribune af. Links vooraan zat Jeroen, zijn kameraad, gespannen te kijken.
‘Nou, laten we dan maar beginnen, hahaha!’ Presentator John nam Billy mee naar een lange rij proefdames. Om de kleur van hun ogen niet alvast aan Billy te verraden stond de hele rij met de rug naar hem en het publiek gekeerd.

 

 

 

 

‘Ben je er klaar voor?’ Billy knikte. ‘Dan gaat de tijd nu in.’
Met twee handen voelde en kneep Billy in de naar hem toegestoken ronde vormen. ‘Bruin!’ riep hij luid. Een droevig melodietje weerklonk. Jammer, Fout. Billy liet zich niet uit het veld staan en greep meteen enthousiast in de volgende plezierige vormen. ‘Blauw!’, maar opnieuw klonk het droevige melodietje.
Zo ging Billy het hele rijtje van ronde vormen af dat zo nadrukkelijk in zijn richting werd gepresenteerd en greep en voelde naar hartenlust. Op het eind bleken slechts drie antwoorden correct te zijn.
‘Helaas Blilly’, riep de presentator luid, ‘je hebt de weddenschap verloren!’
Billy sjokte terug naar de tribune, waar hij opvallend vrolijk plaatsnam naast zijn kameraad Jeroen. Opvallend was dat alle mensen in het publiek lachten en elkaar van plezier aanstootten, op één na. Alleen Jeroen zag er duidelijk teneergeslagen uit terwijl hij zijn portemonnee uit zijn broekzak haalde en er een briefje van 50 euro uit toverde en aan Billy gaf.  Die Billy, tien vrouwen nog wel! De ene weddenschap verloren, maar de andere weddenschap gewonnen, dus.

Red de kanaries!

Het is de volgende ochtend. De dramatische gebeurtenissen van de vorige avond spoken door mijn hoofd. Ik moet iets zien te verzinnen, maar dat valt op de vroege ochtend en een lege maag niet mee. Ik schuif het gordijn van de logeerkamer open en zie dat het de hele nacht flink geregend heeft. Dat is alvast mooi, dan zijn de graafsporen die de activiteiten met het tuinschepje zouden kunnen verraden alvast uitgewist. Gelukkig schijnt nu de zon en het belooft een wat warmere dag te worden, zodat de verwarming in ieder geval overdag nog niet gemist wordt.

Een blik op mijn horloge leert me dat de winkels waarschijnlijk open zullen zijn en dus worstel ik me met mijn fiets door het zand. Gelukkig is het vandaag warmer, ik kon mijn jas in het huis laten, een vest is voor nu voldoende. Het voordeel van de nachtelijke regen is dat dit iets minder moeilijk gaat dan gisteren, dus vandaag lukt het zonder over driewielers na te denken. In het winkelcentrum voorzie ik me van noodzakelijke zaken als brood, boter, koffie, een flesje koffiemelk en dergelijke. In de Action kijk ik of er een vaas te vinden is die wat gelijkenis vertoond met de gesneuvelde vaas van gisteravond. Niet echt, maar bij gebrek aan beter toch een monstrueus exemplaar aangeschaft. De dierenwinkel is gesloten. Jammer. Omdat ik in het dorp wel bereik heb check ik op de telefoon mijn mail. Niks interessants, ook jammer. Bij de fietsenmaker leen ik even een fietspomp om de banden wat harder te krijgen, dat maakt het fietsen ook al wat gemakkelijker.

Weer teruggekomen op huize Oranjehof zet ik de koffiemelk en de boter in de koelkast en de rest laat ik even op het aanrecht liggen. Dan begin ik, als goed en verantwoordelijk neefje, aan de gevraagde diensten. Plantjes krijgen water, de grootste stofvlokken worden verzameld. Flink wat, trouwens. Je zou er een aardige kussensloop mee kunnen vullen, dan heb je weer een extra kussen in huis. Uiteraard heb ik ook de breinaald terug in tantes breiwerk gestoken. Ondertussen probeer ik te bedenken wat voor verhaal ik oom en tante moet vertellen over de verdwenen kanaries. Valt nog niet zo mee. Ik twijfel of ik het deurtje van de vogelkooi zal repareren met een elastiekje, maar omdat de kanaries er toch niet meer inzitten besluit ik ervan af te zien.

Die dag en de volgende twee dagen ben ik de ideale neef. De planten verzorg ik, de tuin wordt aangeharkt en ga zo maar door. Op de derde dag word ik opgeschrikt door een naderend automobiel. Getoeter klinkt luid en duidelijk. Een oud, hoogbenig autootje rijdt voor. Oom en tante blijken heel wat eerder van hun reisje terug te zijn dan verwacht. Ik slik en probeer koortsachtig een oplossing te bedenken. Ik maak de deur open en zie tante opgewonden naar me toelopen. ‘We hebben zoveel leuke dingen gekocht!’
Dan zie ik haar weer weglopen naar de auto om wat tassen te pakken. Oom komt met een hele stapel pakketten, waarmee hij in gevecht met het gewicht van zijn bagage én zijn evenwicht op het huis afloopt. De deur staat open, dus hij wurmt zich naar binnen. Daarbij ziet hij één detail over het hoofd: de deurmat. Struikelend valt hij letterlijk met de deur in huis, de pakketten worden daarbij door de kamer gelanceerd. Eén ervan landt op de poef, maar een ander komt met kracht tegen de vogelkooi, die treurig leeg op het tafeltje voor het raam staat en met een open deurtje al evenzeer wordt gelanceerd. Tante Hendrika rent op de gevallen oom Frederik af en ik zie mijn kans schoon. ‘Houd ze, houd ze’, roep ik luid en loop druk gebarend de tuin in. Helpende tante en opgeraapte oom komen op mijn geluid af. ‘Daar gaan ze, daar gaan ze!’ roep ik, terwijl ik de virtueel vluchtende kanaries aan de bijziende oogjes aanwijs.

Frits

Mijn collega Frits is een hopeloos en irritant geval. De hele dag bedenkt hij flauwe grapjes waar niemand, behalve hijzelf, de mondhoeken voor optrekt.

Zo vond hij het gisteren leuk om de knoppen van alle verwarmingsradiatoren op maximaal te zetten en vervolgens het omhulsel van die knoppen eraf te schroeven. Gevolg: Gloeiend heet en geen mogelijkheid om verkoeling te brengen. De ramen kunnen niet open, de airco liep ook roodgloeiend aan en in het gevecht om de grootste hitte te ontwijken gooiden wij zo snel we konden onze jasjes, vesten, broeken en overhemden uit. Goed dat het elastiek in ons ondergoed stevig genoeg was, het voorkwam dat alles met de stromen transpiratievocht neerwaarts gleed. Tal van met water gevulde wijnflessen stonden op de bureaus om het transpiratievocht aan te vullen.

Toen ging de telefoon. De chef aan de lijn om te vertellen dat om 15:00u de baas op onverwacht inspectiebezoek komt. Dat we het maar even wisten. Een blik op het horloge leerde ons dat het één minuut vóór dat gevreesde moment was. Tijd om van de schrik te bekomen hadden we niet, daar ging de deur al open om het hoge bezoek binnen te laten. De baas is een lange, broodmagere man, die door iedereen ‘de Breinaald’ wordt genoemd. Duidelijk waarom dat zo is. De Breinaald kijkt verbijsterd de ruimte rond, zijn mond zakt open, hij loopt rood aan. Er komt geen woord uit. Hij draait zich om en we zien hem door de gang weglopen.

Sinds die middag is onduidelijk waar collega Frits zich bevindt. Hij neemt zijn telefoon niet meer op en het licht in zijn appartement blijft uit. En we willen dat graag zo houden, wij weten van niks.

Fluffie en Pipi

Vorige week stonden oom Frederik en tante Hendrika nogal onverwacht op de stoep. ‘Ik moet je wat vertellen!’ begon tante, ‘we hebben besloten om nu een reisje te gaan maken. En we dachten dat jij ons wel kon helpen.’

Het vermoeden bestaat in onze familie dat oom Frederik en tante Hendrika uitstekend in de slappe was zitten. Aangezien ze zelf geen kinderen hebben is het zaak een eventuele erfenis veilig te stellen, reden genoeg om een verzoek om hulp welwillend te benaderen.

‘Ja’, gaat tante verder, ‘jij kunt mooi op Fluffie en Pipi passen.’

Fluffie en Pipi blijken de nieuwe kanaries te zijn. En als ik er toch zou zijn, ook de plantjes moeten water, en misschien kon ik hier en daar wat schoonmaken of een kleine reparatie doen.

Met een inwendige zucht en een uitwendige glimlach zeg ik toe, waarop ze beide tevreden weglopen. Zo zit ik ’s middags, nadat ik met de fietspomp mijn banden op spanning heb gebracht, op de fiets richting huize Oranjehof.
De ‘middle of nowhere’ is een metropool vergeleken met de omgeving waar dat huis staat. Verharde wegen zijn er niet, dus ik worstel me door het mulle zand. Hierin val je met je fiets van links naar rechts, uiteindelijk gaat lopen sneller. Een driewieler zou beter gewerkt hebben, maar die gebruik ik toch al jaren niet meer.

Om te weten dat het laat wordt heb ik geen horloge nodig, het begint al te schemeren. Uiteindelijk arriveer ik bij huize Oranjehof. Bij de deur is een naamplaatje aangebracht: F. H. Prins. Een beetje lacherig word ik er elke keer wel van. Voor de deur ligt een grote deurmat met de tekst ‘welkom’ erop. Dat is alvast mooi.

Omdat het huis zo afgelegen ligt, ontbreken gas en elektra. Dat betekent géén verwarming en géén mogelijkheid een telefoon op te laden. Gelukkig heb ik een powerpack bij me.

Een stap in de woonkamer doet enige stofwolken opdwarrelen. Voor het raam, waar een paar verschoten gordijnen half voor het venster hangen staat op een tafeltje een vogelkooi. Twee gele kanaries kijken me even nieuwsgierig aan.

Het is koud in huis. Gelukkig is er een open haard en vind ik het stoken van vuurtjes altijd leuk. Het duurt niet lang voor er een vuurtje brandt. Dat helpt, maar niet veel. Ik had erop gerekend, dus ik heb enkele shirts over elkaar aangetrokken en daarover een vest en een trui. Ik twijfel of ik ook mijn jas aanhoud, maar besluit dat het beter is van niet.

Eerst maar wat eten. Een koelkast ontbreekt, zonder stroom heeft zo’n ding ook weinig zin. Mijn hoop in de voorraadkast het nodige aan eetbare voorraden te vinden wordt de bodem ingeslagen.  Helaas. Op een fles wijn na is er niets in huis. Lekker dan.

Ik plof op een stoel vlak bij het vuur en leg mijn voeten op de poef. Zo kan ik op mijn telefoon nog wat spelletjes spelen. Verder niets, want er is nul bereik. De vogeltjes in de kooi maken een flink kabaal als ze ruzie maken over de laatste pitjes in het voerbakjes. Kanaries, stomme beesten. Het gevecht in de kooi wordt zo hevig dat ze tegen het deurtje van de kooi stoten, dat ineens met een klap open vliegt. Even kijken de kanaries verbaasd, maar niet lang. Fladderend kiezen ze de vrijheid.

Ik moet ze zien te vangen, dus ik grijp een kussen van de bank en haal de kussensloop eraf om dit als een soort schepnet voor kanaries te gebruiken. Tevergeefs, de beestjes vliegen te hoog en blijven buiten bereik. Tijd voor drastische maatregelen. Ik trek een breinaald uit het breiwerk van tante, dat in een mandje naast de bank ligt.  Ik prik de sloop aan de breinaald om zo mijn armen te verlengen, maar helaas werkt dat ook al niet. Tenminste, ik vang geen kanaries. Wel een grote vaas die met een flinke klap in kleine stukjes op de vloer uiteenspat.

In het mandje zit ook een dik stuk elastiek. Hiermee lanceer ik, een tikkeltje gefrustreerd, de breinaald in de richting van Fluffie. Kan ook Pipi zijn, want houdt twee gele fladderaars maar eens uit elkaar. De breinaald bereikt onverwacht zijn doel en komt met twee gespietste kanaries terug. Dat is nou jammer.

Ik besluit van de nood een deugd te maken, en met de breinaald als satéstokje weet ik even later bij de open haard mijn honger een klein beetje te stillen en met een paar slokken wijn spoel ik het onverwachte hapje weg. De volgende ochtend begraaf ik met een tuinschepje de scherven, veertjes en andere resten in de tuin. En nou een goed verhaal proberen te bedenken voor als oom en tante terugkomen.

Gaat dit verhaal verder? Jawel, klik hier!

Spelletjes van vroeger

Peter zit voor het raam. Hij verveelt zich. Hij heeft al wel honderd keer op zijn horloge gekeken, maar de middag duurt nog wel heel lang. Mama heeft een idee. ‘Waarom bel je opa niet even?’

Dat is een goed idee. Opa kan altijd van die leuke verhalen vertellen. Peter pakt de telefoon en belt opa op. Natuurlijk vind opa het goed dat Peter komt.

Als hij bij opa binnenkomt doet hij snel zijn jas uit. Binnen is het warm. ‘Ja,’ zegt opa altijd, ‘oude mensen hebben het altijd koud’.
Nou, dat blijkt wel. Opa dit met een dik vest vlak bij de verwarming. Peter gaat zitten. Hij krijgt een lekker glas limonade met een koekje erbij. Opa heeft een kop koffie voor zich. Hij pakt een flesje koffiemelk en giet een scheutje melk in zijn koffie.

‘Opa’,  begint Peter, ‘vertel nog eens van vroeger, hoe jij speelde!’

Opa kijkt Peter over het randje van zijn bril aan. Dat ziet er een beetje streng uit, maar Peter weet dat opa dat helemaal niet zo meent.

‘Over vroeger?’ herhaalt opa, ‘Hoe wij speelden?’

Peter knikt.

‘Heel anders dan tegenwoordig,’ begint opa. Tegenwoordig zitten alle kinderen de hele dag binnen op hun televisie spelletjes te doen.’

‘Computer, opa, dat is een computer,’ onderbreekt Peter.

‘Ja, ja, dat weet ik natuurlijk wel. Waar was ik… O ja, hoe wij speelden.’

Opa neemt een slokje van zijn koffie.

‘Wij hadden niks,’ gaat hij verder, ‘we moesten ons speelgoed zelf maken.’ Hij neemt nog een slokje koffie.

‘Ik had eens een keer zin om met mijn broertje een zwaardgevecht te houden. Een zwaard hadden we natuurlijk niet, dus pakten we lange takken. Maar die waren weer niet zo sterk. In het gevecht sloeg je met een flinke tik zo’n zwaard gewoon doormidden, soms zelfs allebei tegelijk.’

Opa lacht een beetje voor zich uit en neemt nog maar een slokje.

‘Op een keer,’ lacht hij nu wat harder, ‘hadden we de breinaalden van mijn moeder gepakt. Dat waren nog eens zwaarden!  Met zo’n lekkere scherpe punt eraan. O, wat was mijn moeder boos. Ze braken wel niet, maar er kwamen allemaal bochtjes en deuken in. Wat hebben we op onze kop gehad zeg!’

Peter lacht. Opa die op z’n kop krijgt, dat is wel grappig.

‘Nou, dan gingen we maar naar buiten’,  gaat opa verder. ‘Omdat wij geen bal hadden moesten we er eerst zelf eentje maken.’

‘Zelf maken?’ onderbreekt Peter. Dát gelooft hij niet zomaar. Opa kan soms best gekke dingen zeggen.

‘Jazeker,’ gaat opa verder. We pakten dan een heleboel PTT-elastieken.’

Weer onderbreekt Peter. PTT-elastieken, wat zijn d’t nou weer.
Opa legt uit dat de PTT een oude naam is van de Post. En dat de postbode altijd een heleboel dikke elastieken had om de pakketjes post bij elkaar te houden. Als je geluk had, dan kon je soms van de postbode een heleboel van die elastieken krijgen.

‘Ja, en als je die elastieken over elkaar heen spande, dan kreeg je een harde en stevige bal. Een soort super-stuiterbal.’

Peter vind het wel grappig. Zelf een bal maken, dat moest hij toch ook maar eens proberen.

‘Maar op een keer,’ gaat opa verder, ‘stuiterde onze bal zo hard, dat hij tegen de ruiten van de buren tikte. Zat er ineens een flinke scheur in. In die ruiten dan!’

Peter wil weten wat opa toen deed.

Opa lacht een beetje beschaamd. ‘Wat denk je jongen,’ gaat hij verder. ‘Ik kon maar aan één ding denken. Heel hard weglopen!’

Avondrust

Zitten

in de kamer

Beelden

flitsen van de muur

Klanken

Golven uit de speakers

En het drankje

wentelt in het glas

De wijzers

draaien nog wat rondjes

naar het einde van de dag

Dan wil ik nog een dekentje

en wat kussen, als dat mag